De Tibetaanse Volksopstand

DE TIBETAANSE VOLKSOPSTAND
door Lila Lundquist

De volksopstand van 1959 in Lhasa begon in Kham en Amdo, gebieden in het oosten en noordoosten van Tibet. Voorafgaand, in 1956, vond er een minder bekende opstand plaats waarbij strijders vanuit acht verschillende stammen keihard verzet boden tegen de ‘democratische hervormingen’ van China. Als onderdeel hiervan werd al het grondgebied van de staat; boeren moesten hun oogsten overdragen aan Peking, waardoor ze zelf te weinig hadden. Hoge lama’s en mensen die niet wilden meedoen, verdwenen, werden publiekelijk te schande gemaakt, opgesloten of geëxecuteerd. Chinese soldaten kregen zelfs de opdracht om kinderen, die wel ‘neten’ of ‘luizen’ werden genoemd, te vermoorden. Met de volkstelling van 1982 waren er nog steeds veel meer vrouwen dan mannen in Kham en Amdo. Het is nog altijd onbekend hoeveel mensen er zijn omgekomen bij de opstand in 1956, maar er wordt gezegd dat alleen vrouwen, kreupelen, kinderen en ouderen zijn overgebleven.

Bezetting
De Khampa’s vormden een verzetsgroep die zij het ‘vrijwillige leger om het boeddhisme te verdedigen’ noemden en probeerden hun levenswijze te verdedigen. Hun strijd ging vanuit het oosten naar Centraal-Tibet. Heel veel mensen vreesden voor hun leven en vluchtten vanuit het oosten naar Lhasa, waar ze hun strijd tegen de Chinese bezetting voortzetten. De bevolking van Lhasa groeide met tienduizend vluchtelingen en verhalen van gruwelijkheden deden de ronde. Tot dan toe leek het Chinese beleid in Lhasa niet zo streng, maar het was wel degelijk een bezetting door China.
Onder het bewind van Gompo Tashi Andrugtsang uit Kham is ‘Vier Rivieren, Zes Gebergten’ gesticht, een verzetsleger georganiseerd in 1958 in Lohkha, ten zuiden van Lhasa. De drieëntwintig Khampa-leiders van de Tibetaanse opstand waren kooplieden die hun geld hadden verdiend tijdens de zogenaamde Chinese ‘bevrijding’. Ze gebruikten dit geld om wapens te kopen voor het verzet. Ze sloten drie grote wegen ten zuiden van Lhasa af om het Chinese leger tegen te houden.

Dalai Lama
In februari 1959 was Zijne Heiligheid de Dalai Lama nog bezig zijn opleiding tot geshe af te ronden. Tijdens een religieuze voltrekking in het Potala-winterpaleis kreeg hij een uitnodiging van de Chinese generaal Tan Guan San om een optreden bij te wonen op de gloednieuwe legerbasis van de PLA, het Chinese leger. Normaal gesproken moest een uitnodiging aan de Dalai Lama door de kashag (het Tibetaanse kabinet) gaan en zoiets zou zeker nooit plaatsvinden op een legerbasis. Zijne Heiligheid gaf aan geïnteresseerd te zijn, maar hij moest eerst zijn studie afronden.
Er hing een gespannen sfeer in Lhasa, al was het de tijd van de Gelug Monlam, het grote gebedenfestival. Desondanks werd de Dalai Lama’s benoeming tot geshe op een grootse manier gevierd. China had zeker dertigduizend soldaten rondom Lhasa gestationeerd. Na de Monlam vertrok de Dalai Lama op 5 maart naar zijn zomerpaleis, de Norbulinka.
Zijne Heiligheid gaf op 7 maart aan de Chinezen door dat hij op 10 maart naar het optreden zou gaan. Hij was gevraagd alleen te komen, zonder beveiliging. Tijdens de thee op 9 maart vernamen Tibetaanse bewindsleden dat de Dalai Lama van plan was alleen te gaan. Ze gaven dit door aan kloosters en burgers in Lhasa. Geruchten dat de Chinezen van plan waren de Dalai Lama te ontvoeren, deden razendsnel de ronde. Bij zonsopgang op 10 maart 1959 was de Norbulinka al omsingeld door meer dan honderdduizend Tibetanen. Zijne Heiligheid werd hierdoor gedwongen zijn bezoek te annuleren.

Vlucht
Twee dagen later werd er in Lhasa een grote vrouwenmars gehouden met spandoeken met daarop leuzen als ‘Tibet voor Tibetanen’ en er werd geroepen: ‘Vanaf vandaag is Tibet onafhankelijk!’
Het Chinese leger begon op 17 maart de Norbulinka te bombarderen, de Dalai Lama besloot daarop naar India te vertrekken, ook al wist hij op dat moment niet zeker of hij daar asiel zou krijgen. Hij trok gewone kleding aan en vertrok samen met zijn gevolg te voet uit de Norbulinka.
Op 19 maart werd ontdekt dat de Dalai Lama was verdwenen. Dat nieuws bereikte een internationaal publiek. Er werd gespeculeerd of hij nog in leven was. De Chinezen waren woedend maar ze konden Zijne Heiligheid niet opsporen. De Norbulinka werd zwaar getroffen tussen 20 en 22 maart. Vrijwel het hele paleis werd vernietigd. Zeker duizend leden van de Dalai Lama’s persoonlijke beveiliging werden geëxecuteerd. Ook de kloosters Drepung, Sera en Ganden werden gebombardeerd. Drepung is vrijwel geheel vernietigd. Talloze kostbare kunstobjecten en religieuze teksten werden op straat verbrand. Volgens de Chinezen zijn er in totaal 89.000 mensen omgekomen.
Op 31 maart kwam Zijne Heiligheid met zijn entourage aan in India. Ze kregen asiel van Jawaharlal Nehru en de Dalai Lama begon de Tibetaanse regering in ballingschap. Nadat China het verzet had gebroken, werd het vrijwel onmogelijk om hierna uit Tibet te vluchten. Door de inzet van de verzetsstrijders die Lhasa hadden verdedigd, wat begon in Kham en Amdo, hebben de Dalai Lama en tienduizenden mede-Tibetanen kunnen vluchten naar India.

Hierdoor staat 10 maart symbool voor de strijd tegen de bezetting door China; die dag kwam het Tibetaanse volk op voor zijn leider Zijne Heiligheid de Dalai Lama.

Bronnen:
Aukatsang, Yudon, 2013, March 7, The Lion from Chamdo—Remembering and Celebrating a True Son of Tibet, Phayul.com M10Memorial.orgNorbu, Jamyang, 1994, June 30, Unquiet Memories, Samdup, Tseten, [datum onbekend,] The Lhasa Uprising, March 10 1959, Sequence of Events Norbu, Jamyang, 2006, December 7, The Forgotten Anniversary—Remembering the Great Khampa Uprising of 1956, Phayul.comNorbu, Jamyang, 2017, March 8, The Mystery of the March 10 Photographer Szczepanski, Kallie, 2017, March 8 (updated), The Tibetan Uprising of 1959 Tsundue, Tezin, 2009, April 4, The Bounty March

Dit artikel verscheen in de nieuwsbrief maart 2018

Den Haag 10 maart © 2018 SOTC
Delen: